Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
Themed Dutch Courses
Miscellaneous Courses
Miscellaneous 31 Course
Miscellaneous 31 Examples Lesson
Miscellaneous 31 Examples Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Recording
English
Dutch
Status
the side
de kant
the heaven
de hemel
square
vierkant
to buy
(long form)
te kopen
to say
(long form)
te zeggen
What was it that you wanted?
Wat wilde je?
the cold air
de koude lucht
What can I say?
Wat kan ik zeggen?
heaven’s sake
hemelsnaam
I want to buy a book.
Ik wil een boek kopen.
He wants to buy a car.
Hij wil een auto kopen.
What if someone sees us?
Wat als iemand ons ziet?
I’d like to buy one of those.
Ik wil een van deze kopen.
Where can I buy eggs?
Waar kan ik eieren kopen?
Tom wanted to get back home.
Tom wilde naar huis komen.
We need to buy something for Tom.
We moeten iets kopen voor Tom.
Tom isn’t going to buy a new car.
Tom gaat geen nieuwe auto kopen.
Let’s not talk about money.
Laten we het niet over geld hebben.
Just because you can, doesn’t mean that you should.
Het is niet omdat je het kunt, dat het ook moet.
If I had the money, I’d buy a new house.
Als ik het geld had, zou ik een nieuw huis kopen.