Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"I" Practice Lesson
"I" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
I’m a vegetarian.
Ik ben vegetariër.
What should I bring?
Wat moet ik meenemen?
I’m the guilty one.
Ik ben de schuldige.
I clean the board, I am, I become
ik spoel het bord, ik ben, ik word
I need to hoover.
Ik moet stofzuigen.
I need insulin.
Ik heb insuline nodig.
I need some shampoo.
Ik heb wat shampoo nodig.
I have worked with the cash register.
Ik heb met de kassa gewerkt.
I haven’t done anything wrong.
Ik heb niks verkeerd gedaan.
I need some tampons.
Ik heb wat tampons nodig.
“That’s not possible,“ said the duckling’s mother; “It is not beautiful, but it has a good heart and swims just as good as the others, yes, I must say, even better.
“Dat gaat immers niet,” zei de moeder van het eendje; “het is wel niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flink als al de anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter.
I love growing tomatoes.
Ik hou van tomaten kweken.
I could never hate you.
Ik zou je nooit kunnen haten.
I was born in Chicago.
Ik ben geboren in Chicago.
I didn’t mean to offend you.
Ik wou je niet beledigen.
I tie my sweater around my waist.
Ik knoop mijn trui om mijn middel.
I know Tom is a butcher.
Ik weet dat Tom een slager is.
I promise you that you are safe.
Ik beloof je dat je veilig bent.
I thought you were pregnant.
Ik dacht dat je zwanger was.
I’m looking for a warm, woolen skirt.
Ik zoek een warme, wollen rok.
Pagination
First page
« First
Previous page
‹ Previous
…
Page
36
Page
37
Page
38
Page
39
Current page
40
Page
41
Page
42
Page
43
Page
44
…
Next page
Next ›
Last page
Last »