Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
Parts of speech Dutch Courses
Adjectives Courses
Adjectives 20 Course
Adjectives 20 Examples Lesson
Adjectives 20 Examples Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Recording
English
Dutch
Status
Just married.
Net getrouwd.
Am I in love?
Ben ik verliefd?
to be in love with
verliefd zijn op
to fall in love
verliefd worden
We were in love.
We waren verliefd.
the same time
hetzelfde moment
They already got married.
Ze waren al getrouwd.
I’m in love with you.
Ik ben verliefd op jou.
The shops are closed.
De winkels zijn gesloten.
the European meeting
de Europese bijeenkomst
The vacancy is now closed.
De vacature is nu gesloten.
I have’t done anything wrong.
Ik heb niets verkeerd gedaan.
We didn’t do anything wrong.
We hebben niets verkeerd gedaan.
Didn’t you know Tom was married?
Wist je niet dat Tom getrouwd was?
I’ve been married three times.
Ik ben drie keer getrouwd geweest.
We have reached an agreement.
We hebben een overeenkomst gesloten.
Tom and Mary live in the same building.
Tom en Mary wonen in hetzelfde gebouw.
She got married when she was twenty-five.
Ze is getrouwd toen ze 25 was.
Am I obliged to file the declaration?
Ben ik verplicht om de aangifte te doen?
So it is wrong, we must change
Het is dus verkeerd, we moeten het veranderen