Understand spoken Dutch

"was" Practice Dutch lesson

Recording English Dutch Learn
I was

ik was

he was

hij was

it was

het was

she was

zij was

you were

jij was

That was already there.

Dat was al daar.

He was once here.

Hij was eens hier.

That was my department.

Dat was mijn afdeling.

And yet she said she was a true princess.

En toch zei zij, dat ze een echte prinses was.

It was a princess who stood outside the gate.

Het was een prinses, die buiten voor de poort stond.

I was a kid and didn’t know any better than that it would never pass

ik was een kind en wist niet beter dan dat ’t nooit voorbij zou gaan

this village, I still know how it was

dit dorp, ik weet nog hoe het was

There was always something that was a bit not quite right.

Altijd was er iets, dat niet geheel in den haak was.

Once upon a time there was a prince who wanted to marry a princess; but it had to be a real princess.

Er was eens een prins, die met een prinses wilde trouwen; maar het moest een echte prinses zijn.

So he came home again and was sad, because he really wanted to have a real princess.

Zoo kwam hij dan weer thuis en was treurig, want hij wilde toch zoo heel graag een echte prinses hebben.

One evening a strong thunderstorm came; there was thunder and lighting, the rain was pouring down, it was terrible weather!

Op zekeren avond kwam er een geducht onweer opzetten; het lichtte en donderde, de regen viel bij stroomen neer, het was een verschrikkelijk weer!

It was delicious.

Het was heel lekker.

It was a cowardly attempt.

Het was een laffe poging.

it wasn’t serious

het was geen serieuze

a branch that was as thick as a python

een tak die zo dik was als een python