Understand spoken Dutch

"was" Practice Dutch lesson

Recording English Dutch Learn
I was

ik was

it was

het was

he was

hij was

she was

zij was

once upon a time

er was eens

He was once here.

Hij was eens hier.

That was already there.

Dat was al daar.

And yet she said she was a true princess.

En toch zei zij, dat ze een echte prinses was.

you were

jij was

It was a big and ugly beast!

Het was een groot en lelijk beest!

this village, I still know how it was

dit dorp, ik weet nog hoe het was

That was my department.

Dat was mijn afdeling.

It was wonderful outside on the land.

Het was heerlijk buiten op het land.

It was a princess who stood outside in front of the gate.

Het was een prinses, die buiten voor de poort stond.

I was a kid and didn’t know any better than that it would never pass

ik was een kind en wist niet beter dan dat ’t nooit voorbij zou gaan

Once upon a time there was a prince who wanted to marry a princess; but it had to be a real princess.

Er was eens een prins, die met een prinses wilde trouwen; maar het moest een echte prinses zijn.

So he came home again and was sad, because he really wanted to have a real princess.

Zo kwam hij dan weer thuis en was treurig, want hij wilde toch zo heel graag een echte prinses hebben.

There was always something that was a bit not quite right.

Altijd was er iets, dat niet geheel in de haak was.

The poor duckling did not know what to do; it was sad because it looked ugly and was mocked by everyone else.

Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden of keren; het was treurig, omdat het er lelijk uitzag en door al de anderen bespot werd.

he was angry that I hadn’t done it

hij was boos dat ik het niet deed