Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"to buy" Practice Lesson
"to buy" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
to buy
(long form)
te kopen
I want to buy a book.
Ik wil een boek kopen.
He wants to buy a car.
Hij wil een auto kopen.
I’d like to buy one of those.
Ik wil een van deze kopen.
Where can I buy eggs?
Waar kan ik eieren kopen?
We need to buy something for Tom.
We moeten iets kopen voor Tom.
Tom isn’t going to buy a new car.
Tom gaat geen nieuwe auto kopen.
If I had the money, I’d buy a new house.
Als ik het geld had, zou ik een nieuw huis kopen.
A loan can help buy a house.
Een ontlening kan helpen bij het kopen van een huis.
Where can I buy some Chinese food?
Waar kan ik Chinees eten kopen?
I want to buy this dictionary.
Ik wil dit woordenboek kopen.
Where can I buy an English newspaper?
Waar kan ik een Engelse krant kopen?
A lot of women buy shoes one size too small, because they find them prettier.
Veel vrouwen kopen schoenen een maat te klein, omdat ze dat mooier vinden.
Tom wants to buy a pony for his son.
Tom wil een pony kopen voor zijn zoon.