Understand spoken Dutch

Prepositions Examples Dutch lesson

Recording English Dutch Status
You must swear on the Bible. Je moet zweren op de Bijbel.
“The other ducklings look very sweet,“ said the old duck; “make yourself at home, and if you find an eel head, you can bring it to me.“ “De andere eendjes zien er allerliefst uit,” zei de oude eend; “doe maar, alsof je thuis waart, en als je een palingkop vindt, dan kun je die wel aan mij brengen.”
to underestimate (long form) te onderschatten
in a hoarse whisper op schorre fluistertoon
Anne is sitting in the garden reading a book. An zit in de tuin een boek te lezen.
The table is set for three. De tafel is gedekt voor drie.
Stop moaning and get going. Stop met zeuren en vertrek.
The king inspires awe. De koning boezemt ontzag in.
the siege of Jerusalem het beleg van Jeruzalem
Bill often sings in the bathroom. Bill zingt vaak in de badkamer.
both private and business zowel privé als zakelijk
He chewed on his hamburger. Hij kauwde op zijn hamburger.
It happens in the night. Het geschiedt in de nacht.
to simplify (long form) te vereenvoudigen
The poor duckling was teased by all; even his sisters were angry with him and kept saying, “If only the cat grabbed you, you ugly creature!” Het arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusters waren kwaad op hem en zeiden steeds: “Mocht de kat je maar beetpakken, jou lelijk schepsel!”
gives an estimate of the cost geeft een schatting van de kost
There are a lot of taxis in the city. Er zijn veel taxi’s in de stad.
on the brink of a recession op de rand van een recessie
The moon was above the horizon. De maan stond boven de horizon.
Flattery will get you nowhere. Met vleierij bereik je niets.