Understand spoken Dutch

"Mary" Practice Dutch lesson

Recording English Dutch Status
Tom and Mary live in the same building. Tom en Mary wonen in hetzelfde gebouw.
Mary has more clothes than Tom. Mary heeft meer kleren dan Tom.
Tom is exactly the same age as Mary. Tom is precies even oud als Mary.
Mary plays the harp. Mary speelt de harp.
Tom drank more than Mary. Tom dronk meer dan Mary.
Tom eats more bacon than Mary. Tom eet meer spek dan Mary.
Tom and Mary don’t often eat lunch together. Tom en Mary lunchen niet vaak samen.
Tom drank a glass of white wine, and so did Mary. Tom dronk een glas witte wijn, net als Mary.
Tom and Mary live on the same floor. Tom en Mary wonen op dezelfde verdieping.
Tom never liked Mary. Tom heeft Mary nooit gemogen.
My oldest daughter’s name is Mary. De naam van mijn oudste dochter is Mary.
Mary spends hours in the bathroom. Mary brengt uren in de badkamer door.
Tom wasn’t satisfied with Mary’s answer. Tom was niet tevreden met het antwoord van Mary.
Mary has not yet replied to Tom’s letter. Mary heeft nog niet geantwoord op Tom zijn brief.
I don’t think Tom has any idea where Mary is now. Ik denk dat Tom geen flauw benul heeft van waar Mary nu is.
Mary slept on the train. Mary sliep op de trein.
Mary was wearing a tight red dress. Mary droeg een strakke rode jurk.
I had no idea that Mary was your granddaughter. Ik wist niet dat Mary jouw kleindochter was.
Tom and Mary put their drinks down and started kissing each other. Tom en Mary zetten hun drankjes neer en begonnen elkaar te kussen.
Tom and Mary both lied. Tom en Mary logen allebei.