Skip to main content
Understand spoken Dutch
Search
User account menu
Show — User account menu
Hide — User account menu
Log in
Understand spoken Dutch
Main navigation
Show — Main navigation
Hide — Main navigation
Home
Online Lessons
Dictionary
FAQ
Donate
Blog
Testimonials
Contact
Breadcrumb
Home
Online Lessons
"dog" Practice Lesson
"dog" Practice Dutch lesson
Primary tabs
Summary
Quiz
Content
Secondary tabs
All
Words
Phrases
Learn
Recording
English
Dutch
Status
the dog
de hond
a dog
een hond
I have a dog.
Ik heb een hond.
That’s my dog.
Dat is mijn hond.
He has a dog.
Hij heeft een hond.
What a big dog!
Wat een grote hond!
Does he have a dog?
Heeft hij een hond?
cat and dog
kat en hond
Tom bought a dog.
Tom kocht een hond.
stray dog
zwerfhond
The dog is black.
De hond is zwart.
The dog ate the cake.
De hond at de taart.
He gave the dog a bone.
Hij gaf een bot aan de hond.
Does the dog swim often?
Zwemt de hond vaak?
The dog is gone.
De hond is foetsie.
The dog also sleeps inside.
De hond slaapt eveneens binnen.
“Thank God!” the duckling said with a sigh; “I’m so ugly that even the dog doesn’t want to bite me.”
“Goddank!” zei het eendje met een zucht; “ik ben zo lelijk, dat de hond mij zelfs niet wil bijten.”
It turned its head to put it under his wings; but at the same moment there was a terribly big dog close to the duckling.
Het draaide zijn kop om, om hem onder de vleugels te steken; maar op hetzelfde ogenblik stond er een vreselijk grote hond dicht bij het eendje.
She gave a bone to the dog.
Ze gaf een been aan de hond.
Beware of the dog!
Opgepast voor de hond!
Pagination
Current page
1
Page
2
Next page
Next ›
Last page
Last »