Understand spoken Dutch

Conjunctions 2 Examples Dutch lesson

Recording English Dutch Status
When are you coming back? Wanneer kom je terug?
When do you return home? Wanneer kom je terug naar huis?
The question is whether he can do it or not. De vraag is of hij het kan doen of niet.
I don’t know if this will be enough. Ik weet niet of dit genoeg zal zijn.
That’s when my trouble first began. Dat was wanneer mijn ellende begon.
I don’t know if Tom eats meat or not. Ik weet niet of Tom vlees eet of niet.
Just because you can, doesn’t mean that you should. Het is niet omdat je het kunt, dat het ook moet.
but he felt something towards them as he had never felt for anything else maar toch liep het er hoog mee, zoals het nog nooit ergens mee gedaan had
before she came here voordat ze hier kwam
When did you buy it? Wanneer heb je het gekocht?
I don’t know if she likes me or not. Ik weet niet of ze mij leuk vindt of niet.
I don’t know whether you like her or not. Ik weet het niet of je van haar houdt of niet.
I don’t think Tom would ever say something like that. Ik denk niet dat Tom ooit iets zoals dat zou zeggen.
Tom is tired because he works a lot. Tom is moe, want hij werkt veel.
Eat, for you are hungry. Eet, want jullie hebben honger.
When does the meeting start? Wanneer begint de vergadering?
Tom asked Mary whether she liked him. Tom vroeg aan Mary of zij hem leuk vond.
This is what I drink when I’m with Tom. Dit is wat ik drink wanneer ik bij Tom ben.
We have to leave now if we want to get home before dark. Wanneer we voor het donker thuis willen zijn, dan moeten we nu op pad gaan.
When do owls sleep? Wanneer slapen uilen?